zaterdag 20 januari 2018

Les 14 ~ God heeft geen betekenisloze wereld geschapen.

(1) Het idee van vandaag is uiteraard de reden waarom een betekenisloze wereld onmogelijk is. Wat God niet geschapen heeft, bestaat niet. En alles wat wel bestaat, bestaat zoals Hij het heeft geschapen. De wereld die jij ziet heeft niets met de werkelijkheid te maken. Ze is je eigen makelij en bestaat niet.

Zinnen zoals deze worden door studenten van Een Cursus in Wonderen vaak gebruikt als een manier om de metafysica ervan te verzwakken en beweren dat de Cursus niet zegt dat God de wereld niet heeft geschapen. Ze beweren eerder dat de Cursus enkel leert dat God de wereld zoals zij haar zien niet geschapen heeft. Het is waar dat sommige aannames dergelijke woordkeuze hebben, maar dat is enkel omdat Jezus ons wil leren aandachtig te zijn op wat we zien. Vele keren, zowel in het werkboek als op vele andere plaatsen in de rest van het materiaal, verduidelijkt hij dat God de wereld niet kan geschapen hebben omdat ze totaal tegengesteld aan Hem is (zie hiervoor o.a. T. 4. I. 11; T. 29. VI. 2:7-10; Wd1. 132. 4-6; Wd1. 152. 5-7; VvT. 4.1).

Alles in de wereld van specifieke dingen en vormen veranderen en gaan dood. Een dergelijke wereld is buiten God en kan daarom niet bestaan. Het feit dat wij een wereld waarnemen betekent al dat ze niet werkelijk is en dat wij dat ook niet zijn. En dit betekent, nogmaals, niet alleen voor de wereld die we zien. Studenten denken soms, per vergissing, dat dit bijvoorbeeld wil zeggen dat God de kanker die ik waarneem niet gemaakt heeft. Het feit dat ik een wereld zie is beweren dat er een realiteit bestaat buiten God, dat er een realiteit buiten God mogelijk is en als ik een wereld waarneem dan moet er een waarnemer zijn en iets wat waargenomen wordt; een onderwerp en voorwerp; waarnemer en waargenomene, wat dus wil zeggen dat we vastzitten in de dualiteit. God kan alleen Zichzelf schapen, en dat houdt in alleen een geestelijk, spiritueel Wezen van een volmaakte Eenheid en Liefde, onveranderlijk en eeuwig. Met andere woorden wat God niet geschapen heeft bestaat niet en alles wat bestaat is zoals Hij het heeft geschapen – de staat van de Hemel.

(2) De oefeningen van vandaag moeten van begin tot eind met gesloten ogen worden gedaan. De periode van gedachtenonderzoek dient kort te zijn, hoogstens een minuut. Houd niet meer dan drie oefenperioden met het idee van vandaag, tenzij jij je er prettig bij voelt. Als dat zo is, komt dat omdat je werkelijk begrijpt waar ze toe dienen.

Jezus oefent geen druk uit op ons. De vierde zin is ook een belangrijke. Ons ‘prettig voelen’ kan ook toegeschreven worden aan niet begrijpen omdat we zo bang zijn voor om onze denkgeest opnieuw op te voeden, wat deze perioden van gedachtenonderzoek met zich meebrengen. In dat geval zal onze ‘prettig voelen’ een vals ‘prettig gevoel’ zijn en dat is niet wat Jezus bedoelt.

(3:1) Het idee van vandaag is een nieuwe stap om te leren de gedachten die jij op de wereld geschreven hebt los te laten en daarvoor in de plaats het Woord van God te zien.

Jezus helpt ons te begrijpen dat er een welbepaalde motivatie is voor het vasthouden aan onze gedachten. Het is niet zo dat ze als bij toverslag komen en gaan zoals later in werkboekles 158. 4:1 wordt omschreven; ze verschijnen niet zomaar. Bijvoorbeeld wanneer ik stil probeer te zijn om te mediteren of te bidden en plotseling komt er een vreemde, afleidende gedachte naar boven dan komt die zomaar niet uit het niets. Die komt omdat ik bang ben voor de liefde en de vrede die in mijn denkgeest opkomt wanneer ik stil ben. Mijn gedachten moeten daarom vlug de gedachten van Jezus vervangen, mijn ervaring van speciaalheid in plaats van de ervaring van zijn liefde. Wat hier belangrijk is en onrechtstreeks te verstaan wordt gegeven is dat er een welbepaalde motivatie is voor de manier waarop ik de wereld ervaar en voor de gedachten die haar gestalte hebben gegeven. Als ik deze gedachten kan loslaten – wat zal gebeuren wanneer ik Jezus vraag mij te helpen er samen met hem naar te kijken – dan zullen ze verdwijnen. Wat dan overblijft is het Woord van God, dat, zoals reeds eerder gezegd, het Verzoeningsprincipe is dat zegt dat de afscheiding niet gebeurd is.

(3:2-3) De eerste stappen in deze omruiling, die werkelijk verlossing genoemd kan worden, kunnen behoorlijk lastig en zelfs behoorlijk pijnlijk zijn. Sommige zullen je regelrecht de angst in voeren.

Voor het eerst drukt Jezus zich in zijn lessen op die manier uit. Er zullen meerdere van die stellingnames volgen en we vinden ze ook in het tekstboek en in het handboek voor leraren terug: vergeving is een moeilijk proces en zal angst in de hand werken (zie bijv. T. 27. VII. 13:3-5); Wd1. 196. 10; Hvl. 4. I. A. 3-5-7) En er klopt vast en zeker iets niet wanneer je met deze kwestie geen problemen kent, wanneer je niet vecht tegen vergeving, wanneer je er niet bang of verveeld door wordt of zelfs de neiging hebt om het boek weg te gooien. Wanneer je nooit een dergelijk ongemak ervaart dan wil dat bijna altijd zeggen dat je onvoldoende aandacht geeft aan wat er gezegd wordt.
Een Cursus in Wonderen zegt dat ‘angstige mensen boosaardig kunnen zijn’ (T. 3. I. 4:2). Deze lessen moeten wel angst opwekken omdat ze niet alleen de manier uitdagen waarop jij de dingen buiten jou waarneemt, maar de hele basis van je identiteit uitdaagt. Dat is waar in les 13 naar verwezen wordt wanneer Jezus zegt dat ‘Het onderkennen van betekenisloosheid diepe verontrusting wekt bij alle afgescheidenen.’ Iedereen die gelooft dat hij een afgescheiden en autonoom wezen is zal bij deze gedachten onrust ervaren. Jezus zegt hier dus dat het goed is als je hierbij moeite ondervindt, als dit angst voortbrengt en je daarom weerstand biedt. Deze toelichting is bijzonder belangrijk omdat mogelijk de grootste vergissing die mensen met Een Cursus in Wonderen maken is door het ego te ontkennen en de inherente moeilijkheden wanneer je er naar kijkt en het daarbij te laten. Iedereen wil het proces bagatelliseren en het mooier maken dan het is omdat niemand wil omgaan met de volledige toedracht van deze gedachten die, nogmaals, letterlijk zeggen dat jij niet bestaat. Denk nog maar eens aan de zin die ik eerder aangehaald heb uit hoofdstuk 28 (I. 1:6) dat als de wereld reeds lang geleden voorbij was en jij een deel bent van de wereld, jij ook reeds lang voorbij bent. Wie is de ‘jij’ dan die denkt en voelt en de oefeningen doet? Het antwoord op deze vraag leidt ‘direct naar angst.’

(3:4-6) Maar je wordt daar niet achtergelaten. Je zult er verre aan voorbij gaan. Onze weg leidt naar volmaakte veiligheid en volmaakte vrede.

Jezus wil dat je begrijpt dat de onrust, de verschrikking, de weerstand en de strubbeling deel uitmaken van een groter proces en dat daar Iemand is die jou er doorheen zal helpen. Zoals we reeds gezien hebben heeft hij het over de Heilige Geest die ons doorheen deze schijnbare verschrikking leidt. Hij zal je door de cirkel van angst heen leiden naar de Liefde van God die aan de andere zijde is. (T. 18. IX. 3) Daarom is het zo belangrijk een relatie met Jezus of de Heilige Geest op te bouwen. Iemand binnen in je, een niet egogedachte die je doorheen het proces kan leiden. Wanneer je zonder Hem naar je ego wil kijken dan wordt je eerder geworpen in de verschrikking van de ontkenning en het geloof dat alles wonderlijk is. Jezus zegt je: ‘Ja er zal inderdaad strubbeling, weerstand en angst zijn, maar ik zal je er doorheen leiden.’
Alinea 4 en 5 waarschuwen voorzichtig te zijn met het gedwongen doen van de oefeningen en dringen er tegelijkertijd op aan niets uit te sluiten van jouw zintuigelijk veld. Het is onnodig te zeggen dat dit makkelijker gezegd dan gedaan is en het is ook daarom dat Jezus geen onderscheid maakt in ons oefenen in het centrale thema van dit eerste deel van zijn mindtrainingsprogramma voor ons:

(4 – 5) Denk met gesloten ogen aan al de gruwelen in de wereld die in je denkgeest opkomen. Benoem ze één voor één zoals ze zich aan je aandienen en ontken dan de werkelijkheid ervan. God heeft dit niet geschapen en dus is het geen werkelijkheid. Zeg bijvoorbeeld:

God heeft die oorlog niet geschapen en dus is hij geen werkelijkheid.
God heeft dat vliegtuigongeluk niet geschapen en dus is het geen werkelijkheid.
God heeft die ramp [duid die nader aan] niet geschapen en dus is ze geen werkelijkheid.

Tot de geschikte onderwerpen om het idee van vandaag op toe te passen hoort ook alles waarvan je bang bent dat het jou of iemand om wie jij bezorgd bent, zou kunnen overkomen. Omschrijf de ‘ramp’ telkens heel nauwkeurig. Gebruik geen algemene termen. Zeg bijvoorbeeld niet: ‘God heeft geen ziekte geschapen’, maar: ‘God heeft geen kanker geschapen’ of hartaanvallen of wat er verder angst in je oproept.

Jezus wil dat we hierin zowel persoonlijke als collectief beangstigende feiten opnemen en benadrukt hiermee het belang dat er in illusies geen rangorde is.

En nu naar de volgende alinea 6:

(6:1) Dit is jouw persoonlijk gruwelenrepertoire waarnaar je zit te kijken.

Jezus legt de klemtoon op het negatieve, maar hij zou hier evengoed de klemtoon op positieve dingen kunnen leggen. Daarom is het dat God niet alleen geen kanker heeft geschapen, Hij heeft ook geen gezond lichaam geschapen, Hij heeft geen vliegtuigongeluk geschapen noch heeft Hij een ruimteschip gemaakt dat veilig op de maan is geland.

(6:2-8) Deze dingen zijn deel van de wereld die jij ziet. Sommige ervan zijn gemeenschappelijke illusies, andere maken deel uit van jouw persoonlijke hel. Dat maakt niet uit. Wat God niet geschapen heeft, kan alleen in jouw eigen denkgeest, los van die van Hem bestaan. Daarom heeft het geen betekenis. Sluit ter erkenning van dit feit de oefenperioden af met een herhaling van het idee van vandaag:

God heeft geen betekenisloze wereld geschapen.

Alles wat jij denkt dat te maken heeft met dualiteit, afscheiding, individualiteit of speciaalheid is niet in de Geest van God omdat Hij enkel perfecte Eenheid en Liefde is waarin geen enkele afscheiding mogelijk is. Daarom, wanneer het niet in Zijn Geest is dan heeft het geen betekenis en bestaat het ook helemaal niet.

Merk de term ‘gemeenschappelijke illusies’ op. Als deel van het Zoonschap – de enige denkgeest – vinden wij, in sommige dingen die we in de fysieke wereld waarnemen, een overeenstemming: afmetingen, vorm, kleur, enz.. Maar het feit dat deze illusies gedeeld worden maakt nog niet dat ze waar zijn. Dit zijn de ‘gemeenschappelijke illusies’: ‘niets zo verblindend als de waarneming van vorm.’ (T. 22. III. 6:7) zoals in de tekst staat geschreven, een belangrijke toelichting waar we nog vaak zullen naar terugkeren. Alleen Gods kennis is waar, in scherp contrast met de illusoire waarnemingswereld van het ego.

(7) Het idee van de dag kan uiteraard toegepast worden op alles wat buiten de oefenperioden om vandaag je vrede verstoort. Wees heel specifiek in je toepassing. Zeg:

God heeft geen betekenisloze wereld geschapen.
Hij heeft [omschrijf de situatie die je vrede verstoort] niet geschapen en dus is dat geen werkelijkheid.


Hier zie je hoe Jezus ons in deze lessen herhaaldelijk vraagt om zijn leer in ons dagelijks leven heel specifiek toe te passen. Wanneer we dit niet zo doen verzekerd hij ons dat we ze nooit zullen leren wat uiteraard de verleiding van het ego is. Om dit proces te leren leidt hij ons gemoedelijk door onze illusies van onze specifieke wereld van vorm te brengen naar de inhoud van zijn niet specifieke waarheid van vergeving. 

donderdag 18 januari 2018

Les 13 ~ Een betekenisloze wereld baart angst.

(1) Het idee van vandaag is in wezen een andere vorm van het voorgaande, behalve dat het uitgesprokener is over de emotie die wordt opgeroepen. Eigenlijk is een betekenisloze wereld onmogelijk. Niets zonder betekenis bestaat. Hieruit volgt echter niet dat je niet zult denken dat je iets waarneemt dat geen betekenis heeft. Integendeel, je zult hoogstwaarschijnlijk menen dat je het wel waarneemt.

Dit is omdat wij ons niet realiseren dat wat we waarnemen geen betekenis heeft. Wanneer dat wat wij buiten ons in de wereld waarnemen geen betekenis heeft dan heeft de gedachte in ons die daaraan ten grondslag ligt ook geen betekenis. En gezien wij onze gedachten zijn, volgt hieruit dat wij niet bestaan. Daarom, liever dan te geloven dat alles betekenisloos is, zowel binnen als buiten, vervangen wij dit door onze betekenis. Het is duidelijk dat als wij iets waarnemen waarvan we denken dat het buiten ons is en het raakt ons, dan hebben wij het voor echt aanvaard. En we willen de onderliggende gedachte behouden zodat we kunnen doorgaan met echt te zijn.

(2:1) Het onderkennen van betekenisloosheid wekt in alle afgescheidenen diepe verontrusting.

De angst ontstaat omdat ik in zekere zin besef dat die betekenisloosheid zich uitbreidt tot mijn bestaan. Dit idee komt binnenkort terug.

(2:2) Het vormt een situatie waarin God en het ego elkaar ‘tarten’ om uit te maken wiens betekenis geschreven moet worden in de lege ruimte die betekenisloosheid biedt.

Het ego is degene die ‘tart’, die uitdaagt, niet God. Daarom staat het woord tussen aanhalingstekens. Voor het ego is wedijver de aard van zijn relatie met God. Er is een ‘lege ruimte’ omdat het ego niets is. Nochtans gelooft het dat het vóór God de lege ruimte moet bereiken om de identiteit van de Zoon voor zichzelf op te eisen wat dus de vermeende concurrentie is met de Schepper. Wanneer mijn bestaan gebaseerd is op het geloof van ‘de een of de ander’ dan besta ik ten koste van Gods; ik heb Hem gedood zodat ik kon leven, ik projecteer deze gedachte en geloof daarom dat Hij hetzelfde terug doet met mij. Dit diepgewortelde geloof is de bron van onze waarneming dat mensen er op uit zijn om ons te krijgen, om ons te kwetsen, te verlaten en ons te saboteren omdat wij onszelf hiervan beschuldigen, hetzelfde met anderen doen en uiteindelijk dus ook met God. Zoals Jezus het op het einde van de tekst zegt:

Je haat je broeder nooit om zijn zonden, maar alleen om die van jou. Welke vorm zijn zonden ook lijken aan te nemen, deze verhult slechts het feit dat jij gelooft dat ze de jouwe zijn en daarom een ‘gerechtvaardigde’ aanval verdienen. (T. 31. III. 1:5-6)

(2:3-4) Het ego stormt als een bezetene binnen om daar zijn eigen ideeën neer te zetten, bang dat de leegte anders gebruikt kan worden om er zijn eigen onmacht en onwerkelijkheid mee aan te tonen. En alleen in dit opzicht heeft het gelijk.

Namelijk dat het niets is. Het ego weet, zoals ik eerder reeds uitgelegd heb, dat zijn macht bij de keuzemaker ligt want het ego in en van zichzelf is machteloos. Om er zeker van te zijn dat wij nooit deze nietsheid en betekenisloosheid zouden ontdekken zoekt het zichzelf belangrijk en machtig te maken door middel van zonde, schuld en angst. Wanneer ik tegen God gezondigd heb en Hem vernietigd heb dan staat het vast dat ik belangrijk en machtig ben. Dit maakt mij echter ook angstig, maar ik ben op zijn minst iets geworden dat zich van God onderscheid wat mij dus ook belangrijk maakt.

Het meest beangstigende van dit alles is te beseffen dat God helemaal niet van ons afweet omdat we letterlijk niets zijn – machteloos en onwerkelijk. Dus willen we dat God onze aandacht heeft of dit nu is als degene die hem op de meest toegewijde manier volgt of als de grootste, ellendige zondaar. Voor het ego maakt dat geen verschil uit zolang God het maar opmerkt. Maar onze grootste angst is natuurlijk dat Hij helemaal niet van ons bestaan afweet. En ergens diep in ons weten we dat dit waar is. Maar eerder dan deze waarheid te aanvaarden, bedekken we dit met de leugen van het ego, eerst met gedachten over zonde, schuld en angst en daarna met een wereld die deze gedachten weerspiegelt.

(3:1) Daarom is het van wezenlijk belang dat jij het betekenisloze leert onderkennen en het zonder angst aanvaardt.

Deze aanvaarding komt door je relatie met Jezus of met de Heilige Geest te ontwikkelen wat jou in staat stelt om zonder angst naar je ego te kijken en je helpt realiseren dat het betekenisloos is. Wanneer je bang bent voor je ego of je voelt je er schuldig over of je omhelst het dan maak je het dus werkelijk. Nogmaals, als je echter een stap achteruit doet en deze ‘zonderling samengestelde optocht’ voorbij ziet gaan dan besef je dat het niets is, wetende dat zijn betekenis schuilt in het proberen jou te beschermen tegen alles wat betekenis heeft. Want uiteindelijk, wanneer we niets anders dan het betekenisvolle verlangen – wat onze Identiteit is als de Zoon van God – zouden we ons realiseren dat al het andere waardeloos is en zouden we er niet langer voor kiezen.

(3:2) Als je angstig bent, is het zeker dat jij de wereld met eigenschappen begiftigt die ze niet bezit en bevolkt met beelden die niet bestaan.

In deze betekenis praten we over een wereld als machtig, vijandig, bedreigend, vredig, gelukzalig, heilig, enz. Dit zijn haar eigenschappen en ‘de beelden die niet bestaan’ is alles wat we hier in de wereld zien want het zijn uiteraard de projecties van gedachten die niet bestaan, die niet werkelijk zijn.

(3:3) Voor het ego zijn illusies een beveiligingsmechanisme, zoals ze dat ook stellig zijn voor jou, die jezelf gelijkstelt met het ego.

Een beveiligingsmechanisme is een verdediging. Zonde, schuld en angst en de wereld die daaruit voortvloeit zijn illusies die als doel hebben de fundamentele illusie - dat ik als een apart iemand besta - te behouden.

(4) De oefeningen van vandaag, die zo’n drie tot vier keer moeten worden gedaan, telkens ongeveer één minuut op z’n hoogst, dienen op een iets andere manier te worden uitgevoerd dan de voorgaande. Herhaal met gesloten ogen het idee van vandaag voor jezelf. Open dan je ogen en kijk langzaam om je heen, terwijl je zegt:

Ik kijk naar een betekenisloze wereld.

Herhaal deze uitspraak voor jezelf terwijl je rondkijkt. Sluit weer je ogen en besluit dan met:

Een betekenisloze wereld baart angst omdat ik denk dat ik wedijver met God.

We gaan dus van onze gedachten in onze denkgeest naar onze lichamelijke gewaarwordingen en dan terug naar binnen. Zoals gezegd is de wereld betekenisloos, nochtans doen wij er alles aan om er betekenis aan te geven omdat dit uiteindelijk betekenis geeft aan ons afgescheiden zelf. Door naar het ego te luisteren hebben we een denksysteem van zonde, schuld en angst opgebouwd. Onze afscheidingszonde geeft ons een schuldgevoel dat zijn hoogtepunt bereikt in het angstwekkende geloof dat we het verdienen om gestraft te worden door een wraakzuchtige god die nu met ons in een strijd van leven of dood is tegenover ons bestaan en ofwel zal Hij overleven of wij zullen overleven of zoals in het Handboek voor Leraren staat ‘doden of gedood worden’. Maar deze inherente betekenisloosheid van deze waanzinnige samenhang sluit niet uit dat het een enorme macht heeft gezien wij er ons geloof in investeren. Dergelijke investering betekent dat we ernaar streven het betekenis te geven zodat we het betekenisloze denksysteem van het ego kunnen verdedigen. Wanneer de wereld betekenisloos is en ik betekenisloos ben dan besta ik niet en dat betekent dat God gewonnen heeft. Maar in plaats van de strijd op te geven streef ik ernaar om betekenis te geven aan mezelf en aan de wereld rondom mij.

Jezus helpt ons hier in te zien hoe we alles op de wereld projecteren. Wanneer we goed letten op onze waarnemingen en aan de waarde die we ze geven dan zouden we beseffen dat niets van dit alles afkomstig is van wat dan ook dat inherent aan de wereld is gezien er geen wereld is. Het is slechts een resultaat van een behoefte binnen in ons die het onjuiste feit dat wij bestaan wil rechtvaardigen en bekrachtigen.

(5:1-2) Je zult het misschien moeilijk vinden om enige vorm van weerstand tegen deze slotuitspraak te vermijden. Wat voor vorm die weerstand ook aanneemt, onthoud dat je in wezen bang bent voor zo’n gedachte vanwege de ‘wraak’ van de ‘vijand’.

De angst zit hem in het feit dat wij de strijd tegen God niet kunnen winnen. God blijft de overwinnaar. De verschrikking, die veroorzaakt wordt door deze waanzin, gaat voorbij aan wat we kunnen tolereren. We verdedigen ons ertegen door eerst een denksysteem te maken en dan een wereld waarachter wij ons kunnen verstoppen. Door ons met deze verdediging te identificeren – die zijn hoogtepunt vindt in het lichaam – bieden we weerstand zodat die identificatie niet van ons afgenomen kan worden, iets dat, wanneer we de basis ervan zouden blootstellen aan de waarheid van de Verzoening, het geval is. En zo hoeven we niet te denken aan de wraak van God. Deze gedachte, hoe weerzinwekkend ook, beschermt niettemin onze individuele identiteit die op zijn beurt een verdediging is tegen de aanvaarding van de Verzoening.

(5:3-4) Er wordt niet van jou verwacht dat je deze uitspraak op dit moment al gelooft; je zult hem waarschijnlijk als iets absurds van de hand wijzen. Let echter zorgvuldig op alle tekenen van verbloemde of onverbloemde angst die hij misschien opwekt.
Het is duidelijk dat als je relatief nieuw bent met Een Cursus in Wonderen deze stelling geen enkele steek inhoudt voor jou. Maar Jezus vraagt jou om waakzaam te zijn en zorgvuldig aandacht te geven aan enige ongerustheid of angst die je binnen in je voelt.

(6) Dit is onze eerste poging tot het uitspreken van een expliciete oorzaak-en-gevolgrelatie van een soort dat je uiterst onbedreven bent te herkennen. Blijf niet bij de slotuitspraak stilstaan en probeer er behalve tijdens de oefenperioden zelfs niet eens aan te denken. Dat is voor dit moment genoeg.


De oorzaak- en gevolgverbinding is tussen onze gedachten – het denksysteem van zonde, schuld en angst van het ego – en de manier waarop we de wereld waarnemen. Met andere woorden, ik ben bang, niet omwille van wat buiten mij is, maar omwille van mijn denksysteem dat mij zegt dat het een overleving is tussen God en mij. Merk hierbij ook op dat Jezus onze weerstand niet aanvalt en hij er ons niet mee confronteert. Hij herinnert ons gewoon op een zachtaardige manier aan de waarheid. Dit zal ons in staat stellen haar te aanvaarden wanneer we er klaar voor zijn zonder lastiggevallen te worden door enige spanning of schuld. 

dinsdag 16 januari 2018

Les 12 ~ Ik voel onvrede omdat ik een betekenisloze wereld zie. (deel 2)

(4) Zorg ervoor dat je de tijdsduur niet varieert bij de toepassing van het idee van vandaag op wat je plezierig en wat je onplezierig vindt. Voor het doel van deze oefeningen is daartussen geen verschil. Voeg aan het eind van de oefenperiode toe:
Maar ik voel onvrede omdat ik een betekenisloze wereld zie.

Dit belangrijke punt, dat er in wezen geen verschil is tussen het aangename en het onaangename is terug te vinden in de bespreking ‘de blokkades voor de vrede’ waar Jezus tot twee keer toe zegt dat er geen verschil is tussen pijn en plezier en tussen plezier en pijn. (T. 19. IV. A. 17:10-12; T. 19. IV. B. 12) Dit verschil zou enkel het geval zijn wanneer er een rangorde in illusies zou zijn. Geleidelijk aan worden we geleerd dat dit niet het geval is.

(5:1) Wat geen betekenis heeft, is noch goed noch slecht.

Wanneer je zegt dat iets goed of slecht is dan is het duidelijk dat je het een waarde toekent. In het begin van hoofdstuk 24 zegt Jezus dat: ‘om deze cursus te leren dien je bereid te zijn iedere waarde die jij er op nahoudt in twijfel te trekken.’ (T. 24. Inl. 2:1) Hier vinden we hetzelfde idee op een eenvoudiger manier terug. Door ergens waarde aan te hechten bevestig ik een betekenis ervan. Wanneer ik het betekenis geef dan is de onbewuste onderliggende gedachte dat ik geloof dat het afkomstig is van een betekenisvolle gedachte omdat alles wat ik buiten mij waarneem afkomstig is van een gedachte in mij. Wat is dan de ‘betekenisvolle’ gedachte? Dat er verschil in waarde bestaat, dat dualiteit echt is en dat de waarde van het ene groter geacht wordt dan de waarde van iets anders.

De essentie van deze gedachte is dat ik mijn individuele waarde hoger acht dan de Eenheid van Christus, mijn leven en mijn wereld boven die van de Hemel plaats. Als dit zo is wordt alle verschil belangrijk en blijf ik als dualistisch wezen bestaan in een dualistische wereld. Dat is dan de wereld die ik waarneem en waar ik halsstarrig vasthoud aan de echtheid ervan.

(5:2) Waarom zou een betekenisloze wereld je vrede verstoren?

Wanneer je aan iets in deze wereld gehecht bent dan is het duidelijk dat jij dit geen betekenisloze plaats noemt. En je gelooft dit omdat je denkt dat je waardevol bent. Wat voor het ego betekenisvol is voedt onze speciaalheid. Alles wat betekenisloos is, is voor het ego onbeduidend. Daarom zegt het ego ons dat wij ons moeten richten op die dingen die onze speciale behoeften dienen. De volgende les zal duidelijk maken waarom een betekenisloze wereld onrust, angst en onvrede baart.

(5:3) Als je zou kunnen aanvaarden dat de wereld geen betekenis heeft en je zou toelaten dat de waarheid er voor jou op geschreven wordt, zou dit je onbeschrijfelijk gelukkig maken.


Wanneer we de wereld als betekenisloos kunnen accepteren is dat net zoveel zeggen als ‘mijn denkgeest is blanco’. Dat stelt het Verzoeningsprincipe van de Heilige Geest in staat om door ons heen te stralen waardoor ook de liefde van Jezus onze realiteit kan worden. Dat is de waarheid van wat ons ‘onbeschrijfelijk gelukkig’ zou maken. Gezien dit zelf zich niet langer identificeert met het denksysteem van afscheiding en schuld realiseren wij ons uiteindelijk dat wij verkeerd zijn en dat Jezus gelijk heeft. Maar zolang wij onszelf als een afgescheiden en apart zelf zien beangstigd ons de waarheid dat dit alles een droom is. Dus kiezen we ervoor om niet voortdurend onbeschrijfelijk gelukkig te zijn omdat we, om het met het bekende citaat uit de tekst te zeggen, we liever gelijk hebben dan gelukkig zijn (T. 29. VII. 1:9). Je kan, op zijn zachtst gezegd, stellen dat een gedachte dat we niet bestaan ons niet al te gelukkig maakt. Daarom dringt Jezus er voortdurend op aan dat wij ‘kleine stapjes’ nemen (Wd1. 193. 13:7) anders zou onze angst om opeens te worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd worden (T. 16. VI. 1) te overweldigend zijn. De gelukkige en zachte dromen van vergeving vormen de overgang van onze nachtmerrie van het ego naar het ontwaken in God. (T. 27. VII. 13:4-5)

(5:4-6) Maar omdat ze zonder betekenis is, voel jij je genoodzaakt erop te schrijven wat ze van jou moet zijn. En dat is wat jij erin ziet. En dat is wat in waarheid geen betekenis heeft.

Omdat de wereld op zichzelf betekenisloos is moet ik er een betekenis aan geven of met andere woorden omdat de wereld niets is en ik ook niets ben moet ik doen alsof ik iemand ben. Want inderdaad we denken allemaal dat we iets zijn. Het maakt voor het ego niet uit hoe wij het spel van speciaalheid spelen of we nu Gods gave zijn of de gift van de duivel zolang we maar een speciale gave zijn. Het enige wat we niet willen is om niemand te zijn. Bijna op het einde van de paragraaf ‘de antichrist’ spreekt Jezus over het ego als iets dat altijd meer wil van iets, het maakt niet uit of dat meer welbehagen is of meer pijn, het wil enkel meer. (T. 29. VIII. 8:6-12)

We deinzen terug bij de mogelijkheid dat wij niet bestaan. Dit moet veelvuldig herhaald worden omdat dit deze lessen onderbouwd, om nog maar niet te spreken van de onderbouw van Een Cursus in Wonderen. Deze gedachte is de bron voor de weerstand tegen de Cursus in het algemeen en tegen het werkboek in het bijzonder. Ik moet doen alsof ik besta en snel een denksysteem maken dat ik projecteer, hierbij een wereld makend – zowel kosmisch, gezien we allemaal deel zijn van de ene Zoon, als individueel. Het feit is dat wij altijd een mening opdringen omdat we anders geconfronteerd zullen worden met de betekenisloosheid van ons denken om maar niet van de betekenisloosheid van onszelf te spreken. Dit vindt plaats op het metafysische niveau van de denkgeest waar zich de vraag ‘bestaan’ of ‘zijn’ stelt. Hoe dan ook op het niveau van onze persoonlijke ervaring als een lichaam dat in de wereld woont zijn we bang om geen problemen en grieven meer te hebben omdat dit het geloof in onszelf ondersteunt en waar het einde van het tekstboek naar refereert als ons ‘het gezicht van onschuld’ (T. 31. V. 1-3) De ware angst, zoals we in de volgende les zullen zien is dat wanneer niet ik mijn betekenis op de wereld plaats, Jezus zijn betekenis er op zal plaatsen. Ik moet hem dus voor zijn.

Dat verklaart waarom absolute stilte neigt tot angst en waarom we moeite ondervinden bij het mediteren of bidden: wanneer we onze denkgeest stil maken zal Jezus als eerste komen en komt de herinnering aan God tot een denkgeest die in rust is’ (T. 23. I. 1:1) – en wanneer hij dat doet dan staat het ego buiten spel, net zoals ons denksysteem van afscheiding en speciaalheid. Dat is uiteindelijk de reden waarom we geloven in strijd te zijn met God en ook met Jezus en zijn cursus wat we in de volgende les kunnen zien. Als gevolg hiervan, vooraleer deze ideeën onze denkgeest kunnen binnendringen en ze de kans krijgen dat we onze keuze daarop laten vallen moeten we dit snel vervangen door onze gedachten. Tenslotte is dit ook de reden waarom bijna iedereen op een of andere manier Een Cursus in Wonderen wil veranderen, bijvoorbeeld een betere of een cursus die eenvoudiger is. We zijn bang voor wat deze Cursus werkelijk zegt. Dus vooraleer de woorden en gedachten ervan enig effect op ons zullen hebben veranderen we hem zodat hij aan onze behoeften voldoet.

(5:7) Onder jouw woorden staat het Woord van God geschreven.

Het ‘Woord van God’ wordt in Een Cursus in Wonderen bijna altijd gebruikt als een synoniem voor het Verzoeningsprincipe of voor de Heilige Geest. Het kan ook begrepen worden voor vergeving, de correctie voor het woord van afscheiding van het ego waar wij voor gekozen hebben om het Woord van God te verbergen.

(5:8-9) Nu roept de waarheid onvrede in je op, maar wanneer jouw woorden zijn uitgewist, zal je de Zijne zien. Dat is het uiteindelijke doel van deze oefeningen.

Nu weet je waarom je deze lessen niet wil doen: wanneer jouw woorden gewist worden dan wordt het denksysteem dat de bron is van jouw woorden eveneens gewist. Jezus zal dit verder uiteenzetten in les 14.

De les eindigt met de gebruikelijke milde uitdrukking van Jezus die onze weerstand voor zijn onderricht kent.

(6) Het is genoeg om drie of vier keer te oefenen met het idee van vandaag. Bovendien moeten de oefenperioden de minuut niet overschrijden. Zelfs dat kun je nog te lang vinden. Houd met de oefeningen op zodra je een gevoel van spanning ervaart.

Er wordt ons geen schuld opgelegd, geen intimidatie, geen schuld-afleidende eisen om gedisciplineerd te zijn, laat staan spiritueel.

Wie zou bij zijn opvoeding niet graag een leraar als deze gehad hebben?

zondag 14 januari 2018

Les 12 ~ Ik voel onvrede omdat ik een betekenisloze wereld zie. (deel 1)

Les 5 en 6 zeggen respectievelijk ‘Ik voel nooit onvrede voor de reden die ik denk’ en ‘Ik voel onvrede omdat ik iets zie wat er niet is.’ Deze les verstevigd deze beide ideeën. Ik voel dus onvrede omdat ik een betekenisloze wereld zie. Jezus legt hier nu uit waarom deze stellingname klopt.

(1) Dit idee is zo belangrijk omdat het de correctie inhoudt van een van de voornaamste vervormingen in je waarneming. Jij meent dat je vrede wordt verstoord door een angstaanjagende wereld of een treurige wereld of een gewelddadige wereld of een waanzinnige wereld. Al deze eigenschappen schrijf je haar zelf toe. Op zichzelf is de wereld zonder betekenis.

We nemen geweld, vijandigheid, waanzin en een groot aantal andere toestanden waar. Jezus ontkent hier niet dat we dit waarnemen. Hij zegt hier enkel dat wat we waarnemen niet echt is. Hij zegt ook niet om deze waarnemingen hoe dan ook te ontkennen (zie hiervoor bijv. T. 2. IV. 3:8-11) Hij helpt ons hier eerder bewust te worden waar deze waarnemingen vandaan komen. Wanneer ik onvrede voel is dat niet omdat iemand of iets in deze wereld mij iets heeft aangedaan, zoals we ook in les 31 kunnen zien ‘dat ik niet het slachtoffer ben van de wereld die ik zie.’

Dit is het centrale thema doorheen de hele Cursus in Wonderen: de wereld op zich is betekenisloos want ze komt voort uit een betekenisloze gedachte. Die betekenisloze gedachte is dat ik afgescheiden kan zijn van God, in feite dat ik niet alleen afgescheiden van God kan zijn, maar dat ik dat ook ben. Het is betekenisloos omdat de gedachte een verdediging is tegen het enige wat betekenis heeft; God en Zijn totale Creatie. Wanneer je dus gelooft dat jij je kan afscheiden van het enige wat betekenis heeft, dan wordt al het andere onvermijdelijk ‘betekenisloos’.

(2:1-2) Deze oefeningen doe je met je ogen open. Kijk om je heen, ditmaal heel langzaam.

Jezus zegt hier opnieuw om ons te focussen op wat we zien, rekening houdend dat ons al geleerd werd dat er geen verschil is tussen wat we zien en wat we denken.
Merk, in wat nu volgt, ook op dat de aandacht wordt gelegd op het feit dat alle illusies gelijk zijn en daarom dus ook even illusoir.

(2:3-7) Probeer een tempo te vinden waarbij je blik in een rustig en redelijk regelmatig ritme van het een naar het ander glijdt. Laat de tijd tot je blik verder glijdt niet beduidend langer of korter worden, maar probeer liever doorlopend eenzelfde gelijkmatig tempo aan te houden. Wat je ziet, doet er niet toe. Dit leer je jezelf wanneer je alles waar je blik op rust evenveel aandacht en evenveel tijd geeft. Dit is een eerste stap om te leren aan alles evenveel waarde toe te kennen.

Bij de inleiding van les 1 heb ik het kort gehad over de eerste wet van de chaos van het ego die zegt dat er een rangorde is in illusies wat inhoudt dat er bepaalde dingen en mensen zijn die belangrijker zijn dan andere. Bij het toepassen van dit idee ‘dat ik onvrede voel omdat ik een betekenisloze wereld zie’ kunnen we zien hoe moeilijk het is om deze diepgewortelde gewoonte, de gewoonte van het zien van verschillen, door te breken. Jezus wil dat we begrijpen dat alles even betekenisloos is omdat alles voortkomt uit dezelfde betekenisloze gedachte. Alles wat we in het universum van tijd en ruimte zien, inclusief onszelf, is niet meer en niet minder dan een deel, een fragment van de oorspronkelijke gedachte dat we afgescheiden kunnen zijn - en dat ook zijn – van God en van ons zelf. Elk fragment houdt de kenmerken in van die oorspronkelijke gedachte, een ‘nietig, dwaas idee waardoor de Zoon van God vergat te lachen.’ (T. 27. VIII. 6:2)

Voor ons is het nu nodig dat wij ons herinneren te lachen met deze betekenisloosheid, deze dwaasheid, niet omdat het om te lachen is in de gebruikelijke zin van het woord. We lachen het vriendelijk toe met een glimlach die zegt dat het niets te betekenen heeft omdat het een onmogelijkheid is.

Om een gebruikelijk beeld te nemen: het is alsof een enorme ruit in miljoenen en miljoenen stukken verbrijzeld is. Elk fragment, elk deel heeft dezelfde kenmerken van het geheel, van de originele ruit, elk deel heeft bijvoorbeeld dezelfde chemische samenstelling.
Elk van ons en alles in deze wereld is bij manier van spreken een van deze deeltjes – alle even betekenisloos – omdat alles afkomstig is van dezelfde betekenisloze gedachte.

De reden dat ik niet in vrede ben is omdat de wereld getuige is van het schijnbare feit dat ik gelijk heb. Gezien ik geloof dat ik in een wereld ben die buiten mij is, herinnert deze wereld mij aan de oorspronkelijke gedachte voor het ontstaan van de wereld -om nog maar niet te spreken van mijn individueel bestaan – dat ik de Hemel vernietigd heb en God heb gedood. Dit maakt mij bijzonder onrustig omdat ik geloof dat God terug zal komen en mij zal straffen voor wat ik gedaan heb. Dit concept wordt in de volgende twee lessen verder uitgewerkt.

Anderzijds vraagt Jezus jou, als student die zijn werkboeklessen doet, niet dat je de volle betekenis van zijn stellingname begrijpt. Dat begrip zal er komen door het bestuderen van de tekst, maar hij verzoekt je wel om te beginnen met het oefenen je waarnemingen niet langer serieus te nemen.

In de volgende alinea vraagt Jezus ons om zowel positieve als negatieve zaken in te sluiten:

(3:1-6) Zeg tegen jezelf, terwijl je rondkijkt:

Ik denk dat ik een beangstigende wereld zie, een gevaarlijke wereld, een vijandige wereld, een treurige wereld, een verdorven wereld, een krankzinnige wereld,

enzovoort, waarbij je elke beschrijvende term gebruikt die je maar te binnen schiet. Wanneer er termen in je opkomen die eerder positief dan negatief lijken, neem die dan op. Je zou bijvoorbeeld aan ‘een goede wereld’ of ‘een bevredigende wereld’ kunnen denken. Komen zulke termen bij je op, gebruik ze dan samen met de rest. Je zult nu waarschijnlijk nog niet begrijpen waarom deze ‘aardige’ bijvoeglijke naamwoorden in deze oefeningen thuishoren, maar vergeet niet dat een ‘goede wereld’ ook een ‘slechte’ impliceert en een ‘bevredigende wereld’ ook een ‘onbevredigende’ impliceert.

Wat hier inhoudelijk gezegd wordt maar niet gedetailleerd wordt besproken, is dat verschillen en tegenstellingen ons stevig vasthouden in de wereld van dualistisch denken. De tekst definieert de Hemel als ‘het gewaarzijn van een volmaakte Eenheid waar van dualiteit geen sprake is’. In de Hemel is er dus geen goed of geen slecht, er is enkel God. Dit leren herkennen is een belangrijk onderdeel van onze training.

(3:7-8) Alle termen die in je denkgeest opkomen zijn als onderwerp voor de oefeningen van vandaag geschikt. Hun ogenschijnlijke kwaliteit doet er niet toe.


Met andere woorden, het maakt niet uit of de termen belangrijk zijn of heilig; alles in de wereld is afkomstig van een illusoire gedachte en een illusie is een illusie en blijft een illusie.

(wordt vervolgd) 

vrijdag 12 januari 2018

Les 11 ~ Mijn betekenisloze gedachten laten mij een betekenisloze wereld zien.

Hier legt Jezus het verband tussen onze gedachten en dat wat we waarnemen. De reden waarom wat we rond ons zien geen betekenis heeft (les 1) is omdat wat we veronderstellen te zien afkomstig is van een gedachte die geen enkele betekenis heeft. De les legt deze oorzaak-gevolg relatie uit.

(1:1-2) Dit is het eerste idee dat we presenteren dat verband houdt met een van de belangrijkste fasen van het correctieproces: de omkering van het denken van de wereld. Het lijkt alsof de wereld bepaalt wat jij waarneemt.

En hieraan kan toegevoegd worden: wat je voelt, wat je denkt, je emoties, je problemen, enz.’. 
Bijvoorbeeld ik neem twee vechtende personen waar omdat ze aan het vechten zijn. Of mijn lichaam heeft koud omdat de temperatuur beneden het vriespunt is. Dat is hoe de wereld denkt en hoe iedereen de wereld ervaart. Maar als dit afkomstig is van onze gedachten die deel uitmaken van een (ego)droom van afscheiding, dan worden deze gedachten over die de ijskoude temperaturen en de lichamen die erop reageren ook gedroomd. Onze zintuigen tonen ons een wereld die los staat van ons en zo lijkt het dat wij onschuldige slachtoffers zijn van gebeurtenissen waar we geen controle over hebben. 
Dit wil natuurlijk niet zeggen dat wij ons schuldig moeten voelen omdat we ons niet zo comfortabel voelen als het bitter koud is. Het wil gewoon zeggen dat wij kou ervaren omdat we ons identificeren met het lichaam. De achterliggende gedachte hiervan is dat wij ons identificeren met het denksysteem van afscheiding van het ego, een denksysteem dat totaal betekenisloos is.

(1:3-5) Het idee van vandaag introduceert het denkbeeld dat het jouw gedachten zijn die de wereld die jij ziet, bepalen. Wees eens te meer blij dat je dit idee in zijn basisvorm kunt toepassen, want in dit idee is jouw bevrijding verzekerd. De sleutel tot vergeving ligt erin vervat.

Dit is een zeer belangrijke opmerking. Jezus vraagt ons om naar hem te luisteren en dit idee in de zuivere vorm ervan te oefenen. Dit idee wordt in de werkboeklessen steeds verder uitgebreid en is systematisch terug te vinden in de tekst. Dat is hoe we vergeving zullen leren. We kunnen geen wereld vergeven die echt is, we kunnen een ander niet vergeven voor wat hij gedaan heeft ongeacht het gevolg dat dit op ons lijkt te hebben. We kunnen alleen vergeven door er bewust van te worden dat wij degenen zijn die de ander in onze droom geplaatst hebben. Dat is de sleutel tot vergeving en een belangrijke definitie in Een Cursus in Wonderen: jij vergeeft je broeder voor wat hij je niet heeft aangedaan. (Wd2. 1.1:1) Het kan goed zijn dat die persoon jou of anderen op fysiek of psychisch niveau iet heeft aangedaan. Maar op het niveau van je denkgeest heeft hij niets gedaan omdat hij niets anders is dan een gedachte in je denkgeest. Net zoals jij, het slachtoffer van, ook een gedachte bent in je denkgeest. Slachtoffer en boosdoener zijn een en hetzelfde. Herinner je hierbij wel dat de denkgeest, waaruit de tijdelijke en ruimtelijke wereld zijn ontstaan, buiten tijd en ruimte is. Zoals ik eerder reeds aangehaald heb is tijd en ruimte de vorm die ontstaan is door het projecteren van de inhoud van de denkgeest - afscheiding, zonde, schuld en angst. En ook al wordt dit niet zo duidelijk gesteld, toch moet je dit tussen de lijnen door lezen. Jezus omschrijft dit hier niet met zoveel woorden omdat dat het doel is van de tekst. Het doel van het werkboek is dat wij beginnen met het proces om deze ideeën toe te passen en om te beginnen begrijpen dat wat we denken te zien niet is wat we werkelijk zien. We zien enkel de projectie van een gedachte in onze denkgeest, een doelgerichte gedachte die ervoor zorgt dat ons denksysteem aan de winnende kant is en het denksysteem van Jezus de verliezer is; dat wij het bij het rechte eind hebben en hij verkeerd is. De afgescheiden wereld van pijn en lijden is de getuige van ons gelijk.

(2) De oefenperioden voor het idee van vandaag moeten iets anders worden aangepakt dan de voorgaande. Begin met gesloten ogen en herhaal het idee langzaam voor jezelf. Doe dan je ogen weer open en kijk rond, dichtbij en ver weg, omhoog en omlaag, overal om je heen. Herhaal het idee gewoon voor jezelf in de minuut ongeveer die je aan de toepassing ervan besteedt, maar zorg ervoor dat je dat zonder haast doet en zonder een gevoel van inspanning of drang.

Jezus onderstreept hier opnieuw dat er geen verschil is tussen wat we zien en wat we denken. Er is geen verschil, het innerlijke en het uiterlijke zijn een en hetzelfde. Let ook op de kalmte en rust van de instructies; spanning versterkt eerder het ego en het is het ego die we ongedaan willen maken.
De volgende alinea benadrukt het trainingsproces van de geest waar hij ons toe leidt:

(3) Om zoveel mogelijk profijt te hebben van deze oefeningen moeten je ogen vrij snel van het ene naar het andere voorwerp bewegen, omdat ze niet op iets in het bijzonder moeten blijven rusten. De woorden moeten echter op een kalme, zelfs ontspannen manier worden gebruikt. Dit idee moet je vooral heel ongedwongen inleiden. Het vormt de basis voor de vrede, de ontspanning en de onbezorgdheid die we proberen te bereiken. Sluit aan het eind van de oefeningen je ogen en herhaal het idee nog een keer langzaam voor jezelf.

Zoals de schildpad ons leert: langzaam, maar zeker winnen we de race. Jezus zet hier de toon voor onze lessen, het ongedaan maken van de behoefte van het ego om te vechten, te strijden en te overwinnen en uiteindelijk van het ego zelf. Hij vraagt ons te letten op volgende termen: ongehaast, rustig op je gemak, losjes, vredig, ontspannen, vrij van zorgen en traag. Onze denkgeesttraining moet zoveel mogelijk vrij zijn van spanning en conflict.

(4) Drie oefenperioden zullen waarschijnlijk voldoende zijn vandaag. Maar als jij je er niet of nauwelijks ongemakkelijk bij voelt en de aandrang hebt meer te doen, mag je tot vijf keer oefenen. Vaker wordt niet aangeraden.


Meer is daarom niet beter, tenminste niet in het denksysteem dat Jezus ons geeft. Als we vijf oefenperioden kunnen doen is dat goed. Indien niet is drie keer oefenen ook goed. ‘Maar’, zegt Jezus, ‘laat ons niet streven om meer te doen. In de Hemel hou ik helemaal geen scorebord bij.’ Met andere woorden, hij is geïnteresseerd in de inhoud en niet in de vorm. Kwaliteit geen kwantiteit.  

woensdag 10 januari 2018

Les 10 ~ Mijn gedachten betekenen niets.

In les 4 staat ‘deze gedachten betekenen niets’. En zoals Jezus in de 2e alinea uitlegt heeft hij het hier over ‘mijn’ in plaats van ‘deze’. Op die manier maakt hij zijn onderricht meer persoonlijk.

(1) Dit idee geldt voor alle gedachten waarvan jij je bewust bent of in de oefenperioden bewust wordt. De reden dat dit idee voor allemaal opgaat, is dat ze niet jouw werkelijke gedachten zijn. We hebben dit onderscheid al eerder gemaakt en zullen dat nog vaker doen. Je hebt vooralsnog geen vergelijkingsbasis. Wanneer je die hebt, zal je er niet aan twijfelen dat, wat jij eens voor je gedachten hield, niets te betekenen had.

Onze ‘werkelijke gedachten’ zijn al onze gedachten in ons juist gerichte denken, alles dat afkomstig is van de Heilige Geest. In die zin bijvoorbeeld is een ‘onwerkelijke gedachte’ de gedachte dat iemand mij aanvalt. De ‘werkelijke gedachte’ hier is dan dat dit een roep om liefde is en het is een roep om liefde die door mij gedeeld wordt (gedeelde belangen). Maar zoals Jezus ons hier leert zijn wij nog steeds teveel vereenzelvigd met onze gedachten om nu reeds volledig te begrijpen wat hij werkelijk bedoelt met onze gedachten die onze werkelijke gedachten bedekken.  Maar we zijn nog maar aan de 10e les!

(2) Dit is de tweede keer dat we een dergelijk idee hanteren. De vorm is alleen een beetje anders. Ditmaal wordt het idee ingeluid met ‘Mijn gedachten’ in plaats van ‘Deze gedachten’ en wordt er niet een uitgesproken verband gelegd met de dingen om je heen. De nadruk ligt nu op het gebrek aan werkelijkheid van wat jij denkt dat je denkt.

Jezus heeft het hier niet over wat we buiten ons waarnemen, hij heeft het hier over wat wij denken. Merk hier ook op hoe hij in deze lessen voorzichtig heen en weer gaat in zijn pogingen ons ervan te overtuigen dat we niet zijn wat we denken dat we zijn. Het is een proces dat ons geleidelijk aan door het labyrint van het denksysteem van ons ego leidt – de ogenschijnlijke verschrikking van de cirkel van angst die hij beschrijft in de tekst (T. 18. IX. 3:7-4:1) – naar de Liefde van God die er gelukkig net voorbij op ons wacht.
Alinea 3 is een mooi voorbeeld van projectie al wordt het niet zo gesteld:

(3) Dit aspect van het correctieproces begon met het idee dat de gedachten waarvan je je bewust bent zonder betekenis zijn, buiten je in plaats van in je en daarna werd beklemtoond dat hun status er eerder een van het verleden dan van het heden is. Nu leggen we er de nadruk op we dat de aanwezigheid van deze ‘gedachten’ betekent dat je niet denkt. Dit is alleen een andere manier om onze eerdere uitspraak te herhalen dat je denkgeest in werkelijkheid blanco is. Dit erkennen is het erkennen van het niets, wanneer je denkt dat je het ziet. Als zodanig is het de voorwaarde voor visie.

Jezus wil dat we begrijpen dat onze gedachten niets zijn. Nochtans nemen we deze ‘gedachten van niets’ en projecteren deze omdat we geloven dat ze waar zijn. Op die manier worden ze als echte beelden in de uiterlijke wereld gezien. Jezus wil nu dat we begrijpen dat de gedachten die nu de geprojecteerde bron geworden zijn van onze waarnemingen niet echt hier zijn. Onze denkgeest, om dit belangrijk idee te herhalen, is gevuld met betekenisloze gedachten of betekenisloze ideeën omdat ze voortkomen uit het illusoir denksysteem van afscheiding van het ego.

(4) Sluit je ogen ten behoeve van deze oefeningen en leid ze in door het idee van vandaag vrij langzaam te herhalen voor jezelf. Voeg er dan aan toe:

Dit idee zal helpen me te bevrijden van alles wat ik nu geloof.

De oefeningen bestaan, zoals hiervoor, uit het onderzoeken van je denkgeest op alle gedachten die voorhanden zijn, zonder selectie of oordeel. Probeer elk soort indeling te vermijden. In feite zou je, als jou dat helpt, je kunnen voorstellen, dat je een zonderling samengestelde optocht voorbij ziet trekken, die voor jou persoonlijk weinig of geen betekenis heeft. Zeg bij elke gedachte die door je denkgeest heen gaat:

Mijn gedachte over ……. betekent niets.
Mijn gedachte over ……. betekent niets.

Dit is een voorbeeld voor wat het betekent om samen met Jezus naar ons ego te kijken iets waarvan de belangrijkheid voortdurend benadrukt wordt. De ‘jij’ die zonder eigenbelang naar deze gedachten kijkt is het keuzemakend gedeelte van onze denkgeest, wat het doel is van de Cursus en de betekenis van een wonder, die aan Een Cursus in Wonderen zijn naam gaf. Het proces betekent dat je van op afstand samen met Jezus naar je ego kijkt terwijl je ziet dat je tegen iemand of tegenover jezelf van iets een zaak maakt. Je neemt een stukje hier en een stukje daar en je brengt dit samen in een schijnbaar ingewikkeld iets om hiermee te kunnen bewijzen dat jij gelijk hebt dat jij in jouw waarneming het slachtoffer van de wereld bent en dat de ander het mis heeft, inclusief de Heilige Geest. Je kijkt gewoon naar je ego in actie ‘een zonderling samengestelde optocht’ waarvan het zijn doel is ons in verwarring te brengen omtrent onze identiteit, ons doen geloven dat we een lichaam zijn en niet een geest. Terwijl Jezus hier niet de diepgang van zijn onderricht geeft, maakt hij hier wel de basisprincipes duidelijk.
Tenslotte:

(5) De gedachte van vandaag kan onmiskenbaar dienstdoen bij elke gedachte die jou op enig moment stoort. Tevens worden vijf oefenperioden aanbevolen, waarmee telkens een gedachtenonderzoek van niet meer dan rond een minuut is gemoeid. Het valt niet aan te raden deze tijdsspanne te verlengen en ze moet tot een halve minuut of minder worden teruggebracht als je onbehagen voelt. Maar denk eraan het idee langzaam te herhalen alvorens het specifiek toe te passen en er ook aan toe te voegen:

Dit idee zal mij helpen me te bevrijden van alles wat ik nu geloof.


Opnieuw kan je hier het belang zien dat Jezus hecht aan het veralgemenen. Met dezelfde milde vriendelijkheid naar ons toe worden we gevraagd om met onze specifieke foutieve waarnemingen te oefenen en de principes die we geleerd hebben algemeen toe te passen op al onze ervaringen. Dit onderwerp blijft gedurende deze eerste lessen steeds terugkeren. 

maandag 8 januari 2018

Les 9 ~ Ik zie niets zoals het nu is.

Les 9 is het logische gevolg van les 7 en 8. Wanneer mijn gedachten betekenisloos zijn omdat zij in beslag zijn genomen door een verleden dat niet bestaat en als het verleden bestaat niet omdat het voortkomt uit zonde en afscheiding die nooit gebeurd is, dan is het logische gevolg hiervan dat ik niets zie zoals het nu is.

(1:1-2) Dit idee volgt zonneklaar uit de twee voorgaande. Maar terwijl je dit misschien verstandelijk kunt aanvaarden, is het onwaarschijnlijk dat het nu al iets voor jou betekent.

En dit is een milde opmerking. Deze gedachte betekent niets voor ons omdat we bang zijn voor de ware betekenis ervan. In het heilig ogenblik - de betekenis voor ‘nu’ - is er helemaal niets te zien. Hoofdstuk 18 in de tekst zegt: ‘In geen enkel ogenblik bestaat het lichaam überhaupt.’ (T. 18. VII. 3:1) wat wil zeggen dat er in het heilig ogenblik geen sprake is van een lichaam. Waarom? Omdat er geen afscheidingsgedachte is, geen zonde, schuld en angst en daarom is er ook geen lichaam nodig ter verdediging voor deze gedachten. Dit zijn de blokkades voor de waarheid waar Jezus in de vorige les naar verwees. Daarom is alles wat ik ‘zie’ een verdediging tegen het heilig ogenblik.

(1:3-7) Begrip is op dit ogenblik echter niet noodzakelijk. In feite is de erkenning dat je iets niet begrijpt een eerste vereiste voor het ongedaan maken van je onware ideeën. In deze oefeningen gaat het om beoefening, niet om begrip. Je hoeft niet te oefenen wat je al begrijpt. Het zou inderdaad onlogisch zijn aan te sturen op begrip en tevens aan te nemen dat je het al bezit.

Dit idee werd ook in de vorige les benadrukt: het belang te herkennen dat wanneer je denkt, je denkgeest blanco is. We denken dat we begrijpen wat we denken, maar in werkelijkheid begrijpen we helemaal niets omdat ons zogenaamd denken een blokkade vormt voor een werkelijk begrip dat in Een Cursus in Wonderen gelijkstaat met waarheid of visie.

Tevens werd eerder reeds verwezen naar het deel ‘een beetje bereidwilligheid’ waar Jezus zegt: ‘Je bent er nog steeds van overtuigd dat jouw inzicht een machtige bijdrage vormt aan de waarheid en haar maakt tot wat ze is’ (T. 18. IV. 7:5).  Met andere woorden ons inzicht, ons begrip is niet nodig. 

Wat daarentegen wel nodig is, is dat we bereid zijn te accepteren dat we niets begrijpen. Wanneer we dit feit kunnen aanvaarden openen we de weg voor onze ware Leraar om ons te onderwijzen. Maar wanneer we blijven vasthouden aan het feit dat we begrijpen en gelijk hebben is er voor Jezus geen mogelijkheid om ons te onderwijzen. In onze waanzinnige arrogantie geloven we dat er niets te leren valt. In een van de volgende lessen kunnen we het volgende lezen:

Je bent niet bereid vraagtekens te zetten bij wat je al gedefinieerd hebt. En de bedoeling van deze oefeningen is juist vragen te stellen en de antwoorden te ontvangen. (Wd1. 28. 4:1-2)

Het is dus onze bereidwilligheid om de lessen te oefenen en toe te passen, die ons uiteindelijk in staat stelt te begrijpen.


(2:1) Het is voor de ongetrainde denkgeest moeilijk te geloven dat wat hij zich als beeld lijkt te vormen, er niet is.

Het is voor ons bijzonder moeilijk te geloven dat wat wij zien er niet is. We denken dat we een kamer vol mensen en stoelen zien, een klok, een bevroren meer (de klas werd gehouden in de winter in de bergen van Catskill), enz.… In ‘werkelijkheid’ is datgene wat we zien een buiten-afbeelding van onze afscheidingsgedachten, specifieke vormen die de projectie zijn van ons illusoir denksysteem.

(2:2-3) Dit idee kan bepaald verontrustend zijn en op hevige weerstand stuiten, in velerlei vorm. Maar dat belet de toepassing ervan niet.

Nogmaals, het is niet nodig de ideeën in dit werkboek te begrijpen of er mee akkoord te gaan. Jezus vraagt ons enkel om ze te doen. De gedachte van vandaag zou onrustbarend moeten zijn en er klopt iets niet wanneer dit niet het geval is. Zoals reeds gezegd wanneer dat wat je ziet hier niet is dan ben je hier ook niet. Wat kan er meer verontrustend zijn dat dit? Het is niet nodig dit idee voor waar aan te nemen. Jezus vraagt jou enkel om het trainingsproces te starten jouw denkgeest op die manier te laten denken waarop hij, Jezus, denkt.

(2:4-5) Meer wordt er voor deze en alle andere oefeningen ook niet gevraagd. Elke kleine stap zal een beetje van de duisternis opruimen en tenslotte zal begrip ieder hoekje van de denkgeest komen verlichten die gezuiverd is van de rommel die hem verduistert.

Dit is een heel belangrijk onderwerp en een die keer op keer herhaald zal worden: het ongedaan maken van de blokkade om de liefde te herinneren. Wanneer je de duistere rommel van de denkgeest hebt opgeruimd, d.w.z. de betekenisloze gedachten die hun oorsprong vinden in het denksysteem van het ego, is dat wat overblijft de visie van Christus en dat is ‘begrijpen’. Dit heeft niets te maken met wat er in deze wereld gebeurt, maar met het bewust worden dat er niets in deze wereld is die begrepen kan worden of te begrijpen is. Dit doet mij denken aan een citaat van Michelangelo omtrent zijn beeld. Hij zei hierbij dat hij eerst het beeld gezien had in de steen en dan weggehaald heeft wat er niet langer bij hoorde. Het beeld van Christus dat het licht is van onze ware Identiteit is reeds in onze denkgeest aanwezig via de Heilige Geest. Het is enkel onze verantwoordelijkheid om de duistere puinhoop van onze illusies naar Zijn waarheid te brengen wat ons zal leiden naar een ervaring van de Liefde van God en van de Eenheid van Zijn Zoonschap.

De rest van de les voorziet in instructies voor de oefeningen. Merk hier opnieuw op hoe Jezus de nadruk legt geen onderscheid te maken in jouw toepassing: sluit niets uit. Hij helpt ons hierbij om specifiek te zijn zonder enig ritueel of dwangmatigheid, het ultieme doel, het specifieke te veralgemenen met alle aspecten van de waargenomen wereld, de onbelangrijke en de belangrijke, beide, dichtbij of ver weg. Jezus sluit de les af met volgend geheugensteuntje:

(3 – 4) Deze oefeningen, waarvoor drie of vier oefenperioden voldoende zijn, houden in dat je om je heen kijkt en het idee van vandaag toepast op alles wat je ziet, waarbij je de noodzaak dat het willekeurig moet worden toegepast en de onmisbare regel dat niets wordt uitgesloten, in gedachten houdt. Bijvoorbeeld:

Ik zie deze schrijfmachine niet zoals die nu is.
Ik zie deze telefoon niet zoals die nu is.
Ik zie deze arm niet zoals die nu is.
Begin met de dingen die het dichtst bij je zijn en breid dan je blikveld uit:
Ik zie die kapstok niet zoals die nu is.
Ik zie die deur niet zoals die nu is.
Ik zie dat gezicht niet zoals dat nu is.

(5) Nogmaals wordt benadrukt dat, terwijl alles insluiten niet moet worden nagestreefd, uitdrukkelijk iets uitsluiten dient te worden vermeden. Zorg ervoor dat je eerlijk bent met jezelf in het maken van dit onderscheid. Je kunt in de verleiding komen het te verdoezelen.

Naarmate je verder vordert met het werkboek zal je het belang van deze instructies, om niets uit te sluiten, inzien, net zoals je eerlijk zult zijn bij het zien van de weerstand om het ego ongedaan te maken.